(G)een KEIharde termijn

afbeelding_KEI_websiteMet de invoering van KEI volgt de oproeping van verweerders een andere route dan in de dagvaardingsprocedure het geval was. Een groot verschil is dat in het nieuwe procesrecht eerst de zaak aanhangig wordt gemaakt en daarna pas de verweerder wordt opgeroepen. Aan die nieuwe procedure zijn ook nieuwe termijnen verbonden. En net als in het huidige procesrecht gaat er weleens wat mis.

 

Overschrijding betekeningstermijn

In een arrest van 13 oktober 2017 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de termijnoverschrijding bij het betekenen van de procesinleiding. De HR oordeelde dat overschrijden van de tweewekentermijn waarbinnen betekening van de procesinleiding moet plaatsvinden, geen beletsel is voor verstekverlening. Deze uitspraak past in de trend dat fouten en nietigheden alsmaar lichter worden bestraft, zoals wij in een eerdere beschouwing al signaleerden. Toch gaat de HR in haar laatste uitspraak wel heel erg kort door de bocht en zet zij de deur voor termijnoverschrijdingen wagenwijd open.

 

Nietigheid

In het arrest Staalbouw Vianen/Machinefabriek Breda (NJ 1995/269) heeft de HR het criterium bepaald dat de nietigheid van de dagvaarding “slechts dan zal worden uitgesproken indien het gebrek in de dagvaarding van dien aard is dat gedaagde/opposant dientengevolge wordt bemoeilijkt in het verweer dat hij in het geding wil voeren”. Op die basis heeft de Procureur-Generaal ook geconcludeerd tot verstekverlening. Net als de procureur-generaal was de HR van oordeel dat het feit dat de verweerder alsnog tenminste twee weken had om in het geding te verschijnen van doorslaggevend belang is. Dat klinkt logisch en past in de lijn van deformalisering. Toch slaat de HR de plank wat mij betreft mis.

 

Oordeel van de Hoge Raad

Op grond van art 120 lid 1 Rv had de procesinleiding binnen twee weken na indiening betekend moeten worden. Dat is echter pas ruim vijf weken daarna gebeurd. De HR vindt dit geen probleem. In de parlementaire geschiedenis is overwogen dat de combinatie van een minimale verschijntermijn van vier weken en een betekeningstermijn van twee weken de verweerder een minimale termijn van twee weken geeft om te bedenken of men zich in de procedure wil mengen. Dat betekent volgens de HR dat de tweewekentermijn om de oproep aan de verweerder te betekenen geen eis is die aan het exploot wordt gesteld, maar een terugrekentermijn die moet waarborgen dat de verweerder ten minste twee weken heeft om te beslissen of hij in de procedure wil verschijnen. De HR vindt het exploot zelfs, in tegenstelling tot de procureur-generaal, in het geheel niet nietig.

 

Redenering van de Hoge Raad

Dit is om meerdere redenen een onbegrijpelijke redenering. Als de wetgever namelijk had bedoeld om met deze bepalingen alleen te waarborgen dat de verweerder een minimale verweertermijn van twee weken na betekening zou hebben, had zij deze omschrijving wel in de wet opgenomen. Bovendien is in de parlementaire geschiedenis letterlijk overwogen dat “de betekening dient (…) te geschieden binnen twee weken na indiening van de procesinleiding bij de rechtbank.” Dat is volgens mij ook niet zonder reden, maar daarover later meer. Dat de HR, anders dan de procureur-generaal, vindt dat het exploot niet nietig is, begrijp ik wel. Het exploot is volledig correct, het is alleen te laat uitgebracht. Wat ik niet begrijp is dat de HR geen gevolgen verbindt aan deze overschrijding.

 

Rechtszekerheid

Betekent dit dat de discussie alleen maar technisch is? Wat mij betreft zeker niet. De discussie zou helemaal niet moeten gaan over nietigheden en belemmeringen in het voeren van verweer, maar over rechtszekerheid. Hier komt namelijk de reden van de betekeningstermijn van twee weken aan de orde. Juist de andere manier van procesinleiding onder KEI maakt deze regel van belang. Voorheen werd eerst de gedaagde op de hoogte gesteld van de procedure en daarna de zaak aangebracht bij de rechtbank. Nu wordt eerst de procesinleiding ingediend en daarna pas de verweerder op de hoogte gesteld. Dat dat een groot verschil maakt, wordt in het volgende voorbeeld helder.

 

Voorbeeld

Op 1 maart wordt een vonnis gewezen. De appeltermijn is drie maanden zodat uiterlijk 1 juni appel moet worden ingesteld door het indienen van de procesinleiding. Betekening van het oproepingsbericht en de procesinleiding moet dan uiterlijk op 15 juni gebeuren. Stel nu dat de eiser de maximale termijn voor verschijnen aanhoudt. Dat is zes maanden, dus uiterlijk 1 december. Bij het volgen van alle wettelijke termijnen wordt de verweerder uiterlijk twee weken na het verstrijken van de appeltermijn op de hoogte wordt gesteld. Als de redenering van de Hoge Raad wordt gevolgd, kan de eiser tot uiterlijk 15 november – twee weken vóór de uiterste verschijndatum – laten betekenen. Dat houdt in dat de verweerder vijf maanden en twee weken na het verstrijken van de appeltermijn (!) op de hoogte is van het ingestelde appel. In het kader van de rechtszekerheid lijkt mij dit een zeer onwenselijke situatie. Dat is overigens niet alleen bij appel aan de orde. Ook in zaken in eerste aanleg is het niet acceptabel als de verweerder pas na maanden op de hoogte wordt gesteld dat er een procedure aanhangig is.

 

Conclusie

Het criterium voor het herstellen van fouten is dat de verweerder niet in zijn verdediging moet worden geschaad. Dat is inmiddels een heldere lijn in de rechtspraak en dit is ook te verantwoorden. Voor het niet in acht nemen van termijnen is tot op heden weinig coulance geweest, en terecht. Daar zou KEI geen verschil in moeten brengen. Wat mij betreft heeft de HR dan ook een onbegrijpelijk oordeel gegeven.

 

Deze blog is geschreven door Ruud van Mil, Manager Shared Service Center bij Janssen & Janssen.

Naar overzicht
Delen:
FacebookTwitterLinkedInEmail
Neem contact op

xHeeft u een vraag?