Toetsing van een executoriale titel door een gerechtsdeurwaarder

shutterstock_68494633

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Welke ruimte bestaat daarvoor en wat is de visie van de tuchtrechter?

Van iedere gerechtsdeurwaarder mag verwacht worden dat hij of zij een stuk dat voor tenuitvoerlegging wordt aangeboden toetst. 

 

In een landmark decision[1] werd beslist:

Het hof deelt het standpunt van de kamer (tuchtkamer, red) dat de gerechtsdeurwaarder bij de beslaglegging niet uitsluitend mag afgaan op een mededeling van een collega-deurwaarder of een opdrachtgevende overheid dat er een executoriale titel bestaat die aan de debiteur is betekend. De gerechtsdeurwaarder zal zelf kennis moeten nemen van de titel en de betekening daarvan en zal daartoe minst genomen moeten beschikken over een (al dan niet elektronische kopie van de) grosse voordat het beslag feitelijk wordt gelegd”

 

Dat betekent dat de gerechtsdeurwaarder niet zomaar af mag gaan op het oordeel van een ander, maar zelfstandig zal moeten beoordelen of het stuk ten uitvoer kan worden gelegd.

 

Toetsing door de gerechtsdeurwaarder

De toetsing door de gerechtsdeurwaarder is marginaal: de inhoud en de beslissing liggen bij de rechter of een bestuursorgaan. Waar de gerechtsdeurwaarder dus niet in zal treden zijn overwegingen of wettelijke grondslagen, behalve als er sprake is van een grove, dan wel overduidelijke misslag en ook dan is zijn speelruimte beperkt. Een deurwaarder kan niets met een (grove) motiveringsfout of een verkeerde inschatting, die is des rechters of het bestuursorgaan.

 

Titels moeten worden onderzocht op:

a. de formaliteiten van Rv of de AWB

b. personalia (richt de titel zich tegen een persoon of entiteit waartegen kan worden geïncasseerd)

c. zijn bedragen of berekeningswijze (voor zover relevant) duidelijk.

 

Discussie

Als de gerechtsdeurwaarder vindt dat executie niet mogelijk is, zal hij in eerste instantie met zijn opdrachtgever in overleg gaan. In vrijwel alle gevallen zal er verder geen discussie zijn of de raadsman van eiser neemt al dan niet morrend genoegen met het niet uitvoeren na uitleg door de gerechtsdeurwaarder. Echtscheidingsbeschikkingen met convenanten leveren regelmatig discussie: vaak neemt de rechter enkel een constitutieve beslissing over verdeling of neemt een veroordeling niet op in het dictum. Executie is dan niet mogelijk.

 

Bij discussies kan het in het meest extreme geval komen tot het niet verlenen van het Ministerie door de gerechtsdeurwaarder. Voor zover mij bekend is dat zeer uitzonderlijk. Onder het deurwaardersreglement zoals dat bestond tot 15 juli 2001 gaf de gerechtsdeurwaarder kennis aan zijn hoofd van dienst, meestal de Rechtbankpresident of kantonrechter. Net als nu was niet geregeld wat dan de vervolgstap was.  De eiser kan zich tot een andere gerechtsdeurwaarder wenden of de betrokken ambtenaar in rechte betrekken en in KG uitvoering eisen.

 

In zeer uitzonderlijke gevallen zal de GDW grijpen naar de ruimte die de wet hem biedt in 438 lid 4 Rv: het renvooi, maar dan moet het gaan om onduidelijkheden die hem de executie beletten. Er is bijna geen ruimte op grond van art. 3:13 BW: die moeten partijen zelf benutten.

 

 Jurisprudentie

De tuchtrechter en de civiele rechter hebben beide hun werkterrein en hun eigen afwegingskader. De afgelopen (ruim) 17 jaar zijn wat betreft piketpalen geslagen.

Een bekend discussiepunt zijn eigendomsgeschillen bij beslag: de tuchtrechter verwijst die consequent en niet zonder reden naar de executierechter. Alleen bij titels die overduidelijk elke executiekracht ontberen komt de kamer in actie.

 

Een treffend voorbeeld was een zaak[2] waarin uit kracht van een echtscheidingsbeschikking bevel werd gedaan terwijl er helemaal geen ontruimingsverplichting was opgenomen in welke formulering dan ook. In een zaak waarin bevel werd gedaan zonder deugdelijke titel besliste het Hof[3] (overigens tot mijn ontzetting) dat dit niet klachtwaardig was. Het gelegde beslag werd trouwens wel klachtwaardig geacht.

 

Deze benadering van de tuchtkamer roept wel grote problemen op: de hiervoor onder voetnoot 2 aangehaalde zaak lokte niet zonder reden een kort geding uit dat werd ingetrokken toen de ontruiming werd afgelast. De burgerlijke rechter ging vervolgens uit van een onrechtmatige daad van de gerechtsdeurwaarder omdat hij nooit bevel had mogen doen en veroordeelde hem tot de werkelijk gemaakte advocaatkosten voor het te voeren KG.

 

In een eerder dit jaar besliste zaak (nog niet gepubliceerd) lag het heel bijzonder: in een dwangbevel van een bestuursorgaan was een verkeerde grondslag voor de incassokosten opgenomen, namelijk het puur civiele WIK besluit in plaats van het besluit incassokosten op grond van de AWB. Ze leidden tot precies dezelfde uitkomst maar het mag natuurlijk niet. De deurwaarder handelde praktisch en zette door, de tuchtrechter hanteerde gelukkig een bestendige gedragslijn en benadrukte dat de tuchtrechter niet inhoudelijk kan toetsen[4]. Het is aan het bestuursorgaan om te beslissen wat gebeurt.

 

Toetsingsplicht, weinig speelruimte

Bij de tenuitvoerlegging van een titel heeft een deurwaarder de verplichting om te beoordelen of de executie wel mogelijk is op grond van deze titel. Bij deze beoordeling moet de gerechtsdeurwaarder zich beperken tot een aantal essentiële vragen. Daarbij mag de gerechtsdeurwaarder niet op de stoel van de rechter of het bestuursorgaan plaatsnemen.

 


[1] Gerechtshof Amsterdam 18 oktober 2011 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8421

[2] Kamer voor Gerechtsdeurwaarders Amsterdam 15 december 2015

https://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/gerechtsdeurwaarders/uitspraak/2015/ECLI_NL_TGDKG_2015_217

[3] Gerechtshof Amsterdam 15 november 2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:4604

[4] Kamer voor Gerechtsdeurwaarders Amsterdam 10 februari 2015

https://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI_NL_TGDKG_2015_15

 

 

Naar overzicht
Delen:
FacebookTwitterLinkedInEmail
Neem contact op

xHeeft u een vraag?