Betekenen aan een briefadres?

shutterstock_142467190

Het op de juiste manier betekenen van exploten aan een partij met een briefadres is voor een gerechtsdeurwaarder een bijna onmogelijke opgave. In de rechtspraak wordt verschillend geoordeeld over de manier van betekening en de meest recente uitspraken wijken af van de visie van de tuchtrechter. Met andere woorden: welke keuze de deurwaarder ook maakt. Er is altijd kans op een ontevreden opdrachtgever of een berisping van de tuchtrechter.

 

De betekening

De wet geeft de deurwaarder vele mogelijkheden om een exploot te betekenen. De deurwaarder is niet vrij in zijn keuze voor de wijze van betekening, maar moet de volgorde van de wet aanhouden. Allereerst probeert de deurwaarder om het exploot aan de betrokkene in persoon te betekenen. Als dat niet mogelijk is, kan worden betekend aan de woonplaats van de betrokkene aan een huisgenoot. Als dat ook niet mogelijk is en er wel een derde aanwezig is van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het exploot degene voor wie het bestemd is tijdig zal bereiken, kan het exploot aan deze persoon worden achtergelaten. Als achterlating aan deze persoon ook niet mogelijk is, laat de deurwaarder een afschrift achter aan de woonplaats in een gesloten envelop. Als ook dat niet mogelijk is, verzendt de deurwaarder een afschrift per post. Als de wederpartij geen woonplaats of werkelijk verblijf heeft, moet worden betekend aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie en een uittreksel van het exploot worden gepubliceerd in de Staatscourant, de zogenoemde openbare betekening.

 

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft geen mogelijkheid tot betekening aan een briefadres. Dat is ook niet zo vreemd, want de artikelen in Rechtsvordering die gaan over de betekening van exploten, bestaan al veel langer dan het briefadres. Dat werd voor het eerst ingevoerd bij de Wet GBA (inmiddels gewijzigd in Wet BRP) in de jaren 90. Bij de invoering van deze wet zijn geen wijzigingen gedaan aan de artikelen in Rechtsvordering. Dat is ook de reden dat nu niet helder is wat de status van het briefadres is in het kader van de betekening van exploten.

 

Het briefadres

Zoals hiervoor beschreven is een briefadres geen adres waaraan, in het kader van Rechtsvordering, exploten kunnen worden betekend. Wat is het dan wel? In ieder geval geen woonadres, want de Wet BRP schrijft voor dat een briefadres moet worden gekozen als een woonadres ontbreekt. Ook is het in een aantal gevallen mogelijk omwille van veiligheidsredenen te kiezen voor de registratie van een briefadres in plaats van een woonadres. Volgens de Wet BRP is het briefadres een adres waar voor een betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen. De bedoeling hiervan is dat de overheid beschikt over een adres waarop zij de betrokkene schriftelijk kan bereiken. Een briefadres kan alleen worden gekozen bij een natuurlijk persoon die hiermee schriftelijk instemt of een rechtspersoon die door het college van B&W is aangewezen. De briefadresgever is verplicht om ervoor te zorgen dat geschriften de betrokkene bereiken. Het briefadres is dus een adres waar de betrokkene niet woont, maar wel bereikbaar is voor de overheid.

 

Het doel van het betekenen van een exploot is ervoor te zorgen dat dit de betrokkene bereikt. Het briefadres lijkt hiervoor uitermate geschikt. De keuze voor het briefadres wordt door de betrokkene zelf gedaan en de briefadresgever staat ervoor in dat de stukken de betrokkene ook bereiken. Het probleem is dat de wettelijke basis hiervoor ontbreekt. Rechtsvordering schrijft nu eenmaal voor dat aan de woonplaats wordt betekend. Als die er niet is, zoals in het geval van een briefadres, moet voor de openbare betekening worden gekozen. Dat is ook de visie van de tuchtrechter. Ook zijn er enkele uitspraken van de burgerlijke rechter die deze lijn volgen. Twee recente uitspraken, beide van dezelfde rechter van de Rechtbank Den Haag, lijken wel een wettelijke basis te geven voor de betekening aan een briefadres. De rechter oordeelt dat het briefadres moet worden gezien als een gekozen woonplaats in de zin van art 1:15 BW.

 

De gekozen woonplaats als oplossing?

Op grond van art 1:15 BW kan de gekozen woonplaats vrijwillig worden gekozen als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Er moet sprake zijn van (1) een schriftelijke of elektronische overeenkomst, (2) een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen en (3) een redelijk belang. Met andere woorden: een vrijwillig gekozen woonplaats dient om in specifiek bepaalde gevallen processuele handelingen te laten plaatsvinden. Deze woonplaatskeuze is bedoeld om partijen de mogelijkheid te geven om deze handelingen gemakkelijker en sneller te laten verrichten. Zo is een woonplaatskeuze bij een advocaat heel normaal en kan in dat geval een dagvaarding of procesinleiding daar worden betekend. Een briefadres wordt niet voor een specifiek geval gekozen, maar is algemeen en voldoet alleen al daarom niet aan de criteria van de gekozen woonplaats. Daarnaast is er bij een briefadres ook geen sprake van een overeenkomst tussen partijen.

 

Een andere woonplaats dan de werkelijke kan ook gekozen worden als de wet dat verplicht. Voorbeelden hiervan zijn te vinden bij de dagvaarding (art 111 lid 2 sub a Rv) en het doen van bevel voorafgaand aan het beslag op roerende zaken (art 439 lid 3 Rv). Het doel hiervan is dat een partij altijd een eenvoudige manier heeft om, via een professionele tussenpersoon, de wederpartij te bereiken. Belangrijk element hierbij is de verplichting die uit de wet volgt. Ook hier weer geldt dat er een verplichting tot woonplaatskeuze is voor één of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen. Juist om voor deze zaak de wederpartij te kunnen bereiken. Alleen is de keuze in dit geval niet vrijwillig, maar door de wet bepaald. Het mag dan wel zo zijn dat in de Wet BRP is voorgeschreven dat bij gebreke van een woonadres een briefadres moet worden gekozen, daaruit is toch moeilijk een wettelijke verplichting voor een gekozen woonplaats af te leiden. In ieder geval niet een gekozen woonplaats zoals deze bedoeld is in art. 1:15 BW.

 

Conclusie

In het geval dat een schuldenaar staat ingeschreven op een briefadres, heeft de deurwaarder een duivels dilemma. Formeel is het niet mogelijk om op een briefadres te betekenen, omdat dit geen woonplaats is. Maar je kunt toch ook niet volhouden dat de schuldenaar onbereikbaar is, nu deze juist bij de gemeente een briefadres heeft opgegeven. De kans dat een exploot iemand bereikt bij betekening op een briefadres lijkt vele malen groter dan in het geval van een publicatie in de Staatscourant. En daar is het natuurlijk om te doen: een exploot moet de betrokkene bereiken, althans de kans daarop moet zo groot mogelijk worden gemaakt. Alleen als er geen mogelijkheden meer zijn, resteert de openbare betekening.

 

De conclusie is dat de keuze voor een betekening aan een briefadres heel goed valt te rechtvaardigen op basis van gezond verstand en een logische uitleg van het doel van de wet. Tegelijkertijd staat een formele uitleg van de wet juist de betekening aan een briefadres in de weg. Daarbij is de Rechtspraak ook verdeeld. Binnenkort lijkt er duidelijkheid te komen omdat dit vraagstuk bij de procureur-generaal is aanbevolen als zijnde een vraagstuk dat zich leent voor het instellen van een vordering tot cassatie in het belang der wet. De Hoge Raad zal zich hierover gaan buigen, al is nog niet bekend wanneer. Tot die tijd is het aan de deurwaarder om de keuze te maken. En dan vooral te hopen dat de rechter het daarmee eens is.


Deze blog is geschreven door Ruud van Mil, Manager Shared Service Center.

Naar overzicht
Delen:
FacebookTwitterLinkedInEmail
Neem contact op

xHeeft u een vraag?